Vertrouwen


door Dorie Pols (ambulant begeleider Exodus)

Hij kijkt me aan, zijn ogen tot spleetjes geknepen. Met zijn getatoeëerde armen leunt hij voorover op de tafel. “Alweer een lijst invullen? Wanneer houdt dat een keer op?”
“Deze keer zijn het vragen die alleen over jou gaan en, mooier nog, we gaan alleen bespreken waar jij goed in bent”. Ik probeer zijn stemming te peilen.

Zijn ogen lichten op. Een geringschattend lachje om zijn mond. “Dan zijn we snel klaar. Welkom in het leven na de bajes…!”
“Een leven waarin jij al heel veel op de rails hebt” vul ik aan. Hij knikt. “Dat wel, ja.” “Probeer jij nu eens te bedenken waar jij goed in bent”. Hij lacht. “Goed, goed… wat is goed? Moet ik nu over mezelf op gaan zitten scheppen? Dat doe je toch niet?”

Hij staat op en ijsbeert wat heen en weer. Krabt nadenkend met zijn grote hand op zijn achterhoofd.
“Je hebt mij onlangs een brief geschreven, weet je nog? Over je vader en moeder. Het was een heel mooi verhaal. En echt gebeurd.” Hij kijkt om. “Vind jij dat ik goed kan schrijven?” Ik knik bevestigend. Even is het stil. Hij gaat weer zitten. “Je hebt eigenlijk helemaal gelijk!” Het klinkt verrast. “En geschiedenis, dáár ben ik ook goed in. Ik weet alles over de oorlog.”
“Wat zou je ermee kunnen?”

Hij draait nadenkend een shaggie. “Ik zou vrijwilligerswerk kunnen doen bij oudere mensen. Ff een bakkie met ze doen en praten over vroeger. Dat vinden ze fijn. Misschien moet ik het niet over de oorlog hebben. Dan worden ze verdrietig. En de watersnoodramp kan ik ook beter niet noemen. Maar wel bijvoorbeeld dat de melkboer nog aan de deur kwam en dat er een schillenboer met een kar door de straat reed om de schillen op te halen. Dat zullen ze leuk vinden. Dan voelen ze zich niet zo eenzaam meer.”
“Gaaf idee, joh! Dát schrijf ik op!” Voorover leunend checkt hij of het goed genoteerd wordt.

“En wat zou je kunnen met het schrijven?”
“Niet veel, ik gooi alles wat ik opgeschreven heb meteen weg. Dan ben ik het maar kwijt.”
“En wat als je het eens bewaarde, voor je dochtertje, voor later? Dat ze dan alles kan lezen wat haar vader heeft geschreven. Over zijn liefde voor haar; over haar opa en oma die ze nooit gekend heeft. Over jouw kennis van de geschiedenis?” Even blijft hij strak naar het tafelblad kijken. Dan kijkt hij op. Tranen in zijn ogen, die hij onhandig probeert weg te vegen. “Zou ze dat mooi vinden? Zou het?”

“Wat denk jij zelf?” Hij zwijgt en kijkt naar de naam van zijn dochtertje op zijn hand. Zucht diep. “Ja, ik denk dat ze ‘t prachtig vindt. Stel, ik ben er niet meer. Of, in het ergste geval, als ik die rechtszaak verlies, zal ze me nooit kennen. Dan is het mooi als ze over mij kan lezen. Dan weet ze wie haar vader was….”
We gaan samen de keukenkastjes opruimen en koffie zetten. Even laten bezinken. Even iets beetpakken om ruimte in het hoofd te maken.

Met een bakkie en een shaggie gaan we weer verder.
“Als je moeder hier zou zijn en ik zou haar vragen waar jij goed in bent, wat zou zij dan antwoorden?”
Hij lacht. “Dat ik m’n hart op de goeie plek heb en nooit iemand laat stikken!” Het komt er zonder enige aarzeling uit. “En dat klopt! Ik mag dan een grote bek hebben en ik heb niet voor niets agressie therapie, maar ik ben van binnen een goed mens. En dat wist ze!”

Hij drukt zijn shaggie uit in de asbak en kijkt me vragend aan. “Dat weet jij toch ook? Jij kijkt toch ook niet alleen naar de buitenkant? Daarzo, in de bajes, gingen ze voor me opzij. Ze zagen alleen m’n grote spierballen en m’n rot kop. Nou! Reken d’r maar op dat ze bang voor me waren! Ik vertrouw geen mens. Nooit! Nou ja, jou en m’n advocaat. Jullie wel. Maar jullie zien de binnenkant. Daar heb jij toch voor geleerd?” Ik knik.

“Ik laat niemand binnen, hoor! Niemand! Dat jij hier bij mij mag komen is een wonder. Dat mag je best weten. Ik schaam me voor m’n huis, dat weet je. Maar jij bent een vrouw van het volk, net als m’n moeder. Jij kijkt op niemand neer. Als jij hier een beetje zou gaan zitten regeren, zo van doe dit en doe dat, dan zou ik je er meteen uitknikkeren. Dan zou ik tegen reclassering zeggen: je bekijkt ‘t maar met je zooitje. Dan maar terug naar de bajes, wat maakt mij ‘t uit…” Hij neemt een slok en kijkt me vragend aan.

“Ik ben er om een tijdje met je mee te lopen en je te ondersteunen. En daar heb ik jouw binnenkant hard bij nodig. Die buitenkant…. daar kijk ik wel doorheen.”
“Dat bedoel ik nou” zegt hij, elk woord benadrukkend.

“Wie is jouw voorbeeld? Op wie zou je willen lijken?” Er verschijnt humor in zijn ogen. “Op Maarten van Rossem. Ik zou willen weten wat hij allemaal weet en ik hou van zijn zwarte humor.” Hij lacht hardop. “Die man is geweldig. Hij zegt alles wat ‘ie denkt. Dat zou ik ook willen. Maar als ik ‘t doe, en dat doe ik, word ik erop afgerekend. Hij niet. Hij komt ermee weg en ze lachen er nog om ook. En er is ook zo’n tv serie met een dokter. Ff geen idee hoe die serie heet. Maar dan is er zo’n dokter die als laatste redmiddel wordt ingezet. Als niemand meer weet wat ze met zo’n patiënt moeten doen. En dan komt die dokter om ‘t op te lossen. En weet je wat ik er mooi aan vind? Hij wil alle mensen helpen maar wil er geen band mee hebben. Met niemand. En dat wil ik ook. Mensen helpen maar ik wil d’r verder niks mee…” Weer is het even stil. Hij wrijft zijn handen over elkaar.

“Weet je wat ik eigenlijk het liefste wil leren?” Hij kijkt me verwachtingsvol aan, alsof hij van mij het antwoord verwacht. “Vertel het maar”, moedig ik aan. Hij zucht diep. “Ik wil leren vertróuwen te hebben in andere mensen! Dát wil ik!”

Als ik naar huis rijd, bedenk ik me, dat ik alweer een méns ontmoet heb. Een grote gespierde man weliswaar. Maar een getergde man. Een man met een turbulent verleden en aan de buitenkant, en door de maatschappij, bestempeld als crimineel. Even bekend als berucht bij justitie en in zijn directe omgeving. Hij heeft me een spiegel voorgehouden en een dringend beroep gedaan op mijn vermogen om oog te hebben voor zijn binnenkant. Om vertrouwen in hem te hebben. Om hem te leren vertrouwen te krijgen in de ander.

Hij wil op Maarten van Rossem lijken. Kunnen zeggen wat hij denkt, met de zwarte humor, die ook hem eigen is, zonder daarop afgerekend te worden. Het lijkt een simpele wens. En ik weet als geen ander, dat deze moeilijk realiseerbaar is. Immers, wat doen mijn klanten ertoe in de maatschappij? Wie is bereid om hem te gaan vertrouwen? Zomaar, zonder vooroordelen?
Als een ‘vrouw van het volk’, net als zijn moeder…..?!